Is rechten wel of geen wetenschap?

Soms wordt gediscussieerd over de vraag of rechtsgeleerdheid wel een wetenschap is. Wat in elk geval duidelijk is, is dat het geen exacte wetenschap is. Dat houdt onder meer verband met het hanteren van open normen. Er is niet altijd een eenduidig antwoord te geven op juridische vragen en de juridische praktijk laat dit ook regelmatig zien. Denk aan eminente rechtsgeleerden die als procureur-generaal een advies aan de Hoge Raad geven waarna die besluit om ‘contrair’ te gaan en dus afwijkt van het rechtsgeleerde advies. Of aan gerechtshoven die uitspraken van rechtbanken vernietigen, waarna de Hoge Raad weer het arrest van het Gerechtshof vernietigt. De praktijk is weerbarstig en dat betekent dat het niet altijd eenvoudig is om juridisch advies te geven. Schikken is daarom vaak te verkiezen boven een ‘alles-of-niets’-uitspraak.

TAP-zaak

Een mooi voorbeeld uit de praktijk waarmee het voorgaande kan worden geïllustreerd vind ik nog steeds het al weer wat oudere arrest van het EU-Hof van Justitie in een zaak waarin de Portugese luchtvaartmaatschappij TAP betrokken was (zaak C-160/14, arrest van het Hof van 9 september 2015, zaak João Filipe Ferreira da Silva e Brito e.a. tegen Estado português). Het EU-Hof kwam tot een oordeel dat lijnrecht tegenover dat van de hoogste Portugese rechter stond en concludeerde zelfs tot aansprakelijkheid van de Portugese staat, aan wie het optreden van de Portugese rechter werd toegerekend. Toegegeven: het betrof de altijd lastige materie van de ‘overgang van onderneming’. Deze materie is geregeld in een Europese richtlijn en op grond daarvan in de wetgeving van de lidstaten van de Europese Unie opgenomen (in Nederland in de artikelen 7:662 e.v. B.W.).

Overgang van onderneming?

Kort gezegd ziet ‘overgang van onderneming’ op situaties waarin sprake is van overgang van (onderdelen van) onderneming A naar onderneming B. Werknemers die werkzaam waren bij (het betreffende onderdeel van) onderneming A worden ‘automatisch’ werknemer van onderneming B. Het lijkt op een soort slavenhandel, omdat de overgang wordt ‘getriggerd’ door de verkopende ondernemer en niet door de wens van de werknemers in kwestie. Maar het is goed bedoeld, namelijk om de werknemers te beschermen en niet achter te laten in een lege huls.

Eerste rechter zegt ja

In de TAP-zaak ging het om een Portugese luchtvaartmaatschappij, Air Atlantis SA (hierna: “AIA”), die in 1993 failliet ging met als gevolg het collectief ontslag van haar werknemers. De hoofdaandeelhouder van AIA, TAP, nam een deel van de vluchten, een deel van de uitrusting, de huur voor de leaseovereenkomsten én een deel van de ontslagen werknemers over. De werknemers die niet waren geselecteerd om bij TAP te komen werken kwamen op tegen het collectief ontslag bij het Tribunal do Trabalho de Lisboa (de Portugese rechter in eerste aanleg) en vorderden herplaatsing binnen TAP, uitbetaling van hun loon en schadevergoeding. Het Tribunal do Trabalho heeft het beroep gedeeltelijk toegewezen en TAP opgedragen de werknemers weer in dienst te nemen.

Tweede rechter zegt nee

Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld bij het Tribunal da Relação de Lisboa (de Portugese rechter in hoger beroep), dat het vonnis heeft vernietigd.

Portugese Hoge Raad zegt ook nee

Tegen dat laatste vonnis hebben de werknemers vervolgens cassatieberoep ingesteld bij het Supremo Tribunal de Justiça (vergelijkbaar met onze Hoge Raad), dat oordeelde dat het collectieve ontslag niet onrechtmatig was. De overweging was dat het ‘louter voortzetten van’ een commerciële activiteit niet volstaat om te kunnen spreken van een overgang van onderneming, aangezien ook de identiteit van de vestiging behouden moet zijn. Het Supremo Tribunal oordeelde o.m. dat TAP bij de uitvoering van de betreffende vluchten geen gebruik maakte van een ‘entiteit’ die dezelfde identeit had als de ‘entiteit’ die voorden toebehoorde aan AIA. Hierdoor kon volgens het Supremo Tribunal geen sprake zijn van overgang van onderneming.

De verplichting om bij twijfel over de uitleg van EU-recht vragen te stellen aan het EU-Hof

Enkele van de 97 gedupeerde werknemers hadden het Supremo Tribunal gevraagd om het EU-Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing, om duidelijkheid te krijgen over de vraag of sprake was van ‘overgang van onderneming’. De Portugese wetsbepaling is immers gebaseerd op een EU-Richtlijn. Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt in artikel 267 dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen, maar ook over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. Daaronder vallen vragen van uitleg over een EU-Richtlijn. Volgens deze zelfde bepaling is, indien zo’n vraag wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep (zoals in de TAP-zaak), deze instantie verplicht zich tot het Hof te wenden.

Uitzondering als er ‘geen redelijke twijfel kan bestaan’

Op de hiervoor bedoelde verplichting bestaat alleen een uitzondering indien de hoogste rechter heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of ‘dat de betreffende bepaling van het Unierecht door het Hof reeds is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo voor de hand ligt dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan.’ (arrest sub 38) Deze laatste 2 situaties worden ook wel omschreven als ‘acte éclairé’ resp. ‘acte claire’. Het zal duidelijk zijn dat de rechter dan wel heel zeker van zijn zaak moet zijn.

Portugese Hoge Raad heeft geen twijfel

Volgens het Supremo Tribunal was er in de TAP-zaak ‘geen twijfel van enige betekenis’ en om die reden geen verplichting om naar het EU-Hof te verwijzen. Dat was op zich al bijzonder, omdat de eerste rechter tot een andere uitleg was gekomen. Je zou denken dat er dan toch op zijn minst twijfel mogelijk is aan de juiste uitleg.

Nieuwe ronde, nieuwe kansen: onrechtmatige rechtspraak?

De werknemers lieten het hier niet bij zitten en stelden vervolgens een vordering in tot civielrechtelijke, niet-contractuele aansprakelijkheid van de Portugese staat, omdat de uitlegging van het Unierecht door het Supremo Tribunal onjuist zou zijn en deze rechter niet had voldaan aan de verplichting om het EU-Hof de relevante vragen over de uitlegging van het Unierecht te stellen. In deze tweede zaak voor de Portugese rechter gaat het dus (ook) om de vraag of sprake was van onrechtmatige rechtspraak.

Een obstakel voor schadevergoeding in de Portugese wet

De Portugese staat voerde als verweer o.m. dat schadevergoeding slechts kan worden gevorderd ‘indien de schadeveroorzakende beslissing voorafgaandelijk is vernietigd door de bevoegde rechterlijke instantie’. Met andere woorden: nu het gaat om een beslissing van de hoogste rechter kan geen schadevergoeding worden gevorderd.

EU-Hof komt tot tegenovergestelde beslissing: wel overgang van onderneming

Deze keer vond de bevoegde Portugese rechter (‘Varas Cíveis de Lisboa’, de destijds bevoegde civiele rechter in Lissabon) wél dat vragen gesteld moesten worden aan het EU-Hof. Het EU-Hof oordeelde uiteindelijk dat er wel degelijk sprake was van ‘overgang van onderneming’ in de zin van de EU-Richtlijn. Ook vond het EU-Hof dat de hoogste Portugese rechter wel degelijk verplicht was tot het stellen van prejudiciële vragen. Redengevend daarvoor was niet alleen de verschillende uitleg in de Portugese rechtspraak, maar ook het feit dat de uitleg van het begrip ‘overgang van onderneming’ in de EU ‘tal van vragen heeft opgeroepen bij een groot aantal nationale rechterlijke instanties, die bijgevolg genoodzaakt waren zich tot het Hof te wenden’. Uit deze vragen blijkt ‘niet alleen dat de uitlegging moeilijkheden oplevert, maar ook dat gevaar bestaat voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie.’ (arrest sub 43).

Deze zaak laat zien hoe verschillend rechters over een bepaald feitencomplex kunnen denken. Maar het laat ook zien dat sommige zaken wel erg lang kunnen duren. Air Atlantis werd in 1993 ontbonden, maar het Gerechtshof in Luxemburg kwam pas met zijn arrest in 2015, ofwel 22 jaar later. Deze uitspraak is ook interessant in verband met het oordeel van het Hof over de aansprakelijkheid van de Portugese staat. Daarover gaat een andere publicatie.

Onze publicaties

Lees alle artikelen

  • 25 april 2024

    Is de CSDD-Richtlijn een gevaar voor duurrelaties?

  • 21 maart 2024

    ESG-vereisten van de CSDD-Richtlijn

  • 22 februari 2024

    WAMCA in de praktijk

  • 01 december 2023

    WAMCA revolutie: van complexiteit naar duidelijkheid

Volg ons op LinkedIn: Poelman c.s. op LinkedIn