Verplicht waarheidsgetrouw

Een advocaat doet er alles aan om een zaak voor zijn cliënt te winnen, maar hij zal het wel moeten doen met de feiten die er liggen. Op grond van de wet (artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (“Rv”)) zijn partijen in een civiele procedure namelijk verplicht de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Het idee hierachter is dat de beslissing van de rechter zoveel mogelijk op waarheid moet berusten.

Indien de rechter oordeelt dat een partij een leugen heeft verkondigd, of belangrijke informatie heeft achtergehouden, kan hij “daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht”, aldus artikel 21 Rv. Het staat de rechter dus vrij om te kiezen óf hij een sanctie oplegt, en zo ja, welke sanctie hij aan de schending van artikel 21 Rv verbindt. Dit zal afhangen van de aard en de ernst van de schending en de overige omstandigheden van het geval.

Buiten beschouwing laten van stellingen/stukken

De gevolgtrekking die rechters het vaakst maken in een dergelijk geval is het (in bepaalde mate) buiten beschouwing laten van stellingen en/of stukken van de betrokken partij. Zo kan de rechter bepaalde, of zelfs alle, stellingen van de partij die de waarheidsplicht heeft geschonden kritischer beoordelen. Ook is het mogelijk dat de rechter een vermoeden aanneemt waartegen de partij dan maar tegenbewijs moet leveren. In ernstigere gevallen kan de rechter zelfs de stellingen van de betrokken partij volledig negeren, uitgaan van de juistheid van de stellingen van de tegenpartij, zelfs zonder tegenbewijs toe te staan. Ook kan hij als vaststaand aannemen dat de ontbrekende informatie nadelig is voor de betrokken partij1.

De rechter kan een vordering wegens schending waarheidsplicht ook afwijzen

In een uitzonderlijk geval kan de rechter zelfs een vordering afwijzen wegens schending van de waarheidsplicht, zo blijkt bijvoorbeeld uit een arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1144).

Praktijkvoorbeeld

In deze zaak zijn de twee eisers eigenaars en verhuurders van een bedrijfsloods. Deze loods is onderverdeeld in meerdere bedrijfsruimten die aan particulieren worden verhuurd voor opslag. Via een tussenpersoon is ten behoeve van de loods een brandverzekering afgesloten bij ASR, maar nadat de eigenaren van de loods weigeren de voorgeschreven preventiemaatregelen uit te voeren zegt ASR de verzekering op. Op advies van de tussenpersoon sluiten de twee eigenaren een nieuwe brandverzekering af bij Aegon. In het aanvraagformulier ontkennen zij (wederom op advies van de tussenpersoon) dat de vorige verzekeraar de verzekering heeft opgezegd. Twee dagen nadat de verzekering ingaat ontmantelt de politie een hennepkwekerij in de loods. Nog geen drie maanden later brandt de loods volledig af.

Eén van de eigenaren wordt in verband met de hennepkwekerij als verdachte aangehouden. Aanvankelijk zegt hij niet betrokken te zijn geweest bij de hennepkwekerij, maar later geeft hij aan dat de hennepkwekerij van een huurder is en hij “pas” sinds ongeveer 2 à 2,5 weken vóór de ontmanteling op de hoogte is van het bestaan hiervan. Hij zou de hennepkwekerij daarna hebben gedoogd en in ruil daarvoor een vergoeding hebben ontvangen.

Aegon laat een onderzoek verrichten, maar de oorzaak van de brand komt niet boven water. Later beëindigt Aegon met onmiddellijke ingang de verzekering vanwege a) de schending van mededelingsplicht door niet te vermelden dat ASR de verzekering heeft opgezegd wegens het niet nemen van preventiemaatregelen en b) de betrokkenheid bij de hennepkwekerij (door deze te gedogen).

De twee eisers stellen de tussenpersoon aansprakelijk. Zij menen dat deze zijn zorgplicht heeft geschonden door te adviseren bij Aegon een verzekering af te sluiten en in het aanvraagformulier te ontkennen dat de vorige verzekeraar de verzekeringsovereenkomst heeft opgezegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat de tussenpersoon zijn zorgplicht inderdaad heeft geschonden (wegens zijn advies om de eerdere opzegging te verzwijgen), maar dat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de schade (nog) niet vaststaat.

Volgens de rechtbank heeft de tussenpersoon zijn zorgplicht ook geschonden omdat hij de eisers had moeten waarschuwen dat zij ook na de ontmanteling van de hennepkwekerij geen succesvol beroep op de verzekering bij Aegon zouden kunnen doen (wegens hun betrokkenheid bij de kwekerij). De eisers krijgen van de rechtbank de kans te bewijzen dat een andere verzekeraar de loods wel zou hebben verzekerd nadat zou zijn medegedeeld dat er een hennepkwekerij in heeft gezeten. Slagen zij hierin, dan staat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de schade van eisers vast, aldus de rechtbank. Het lukt de eisers dit te bewijzen. Daarmee komt het causaal verband vast te staan.

Het lijkt dus de goede kant op te gaan voor de eisers, totdat de tussenpersoon door middel van een akte aangeeft bekend te zijn geworden met nieuwe feiten. Uit een strafvonnis blijkt dat de eiser heeft bekend dat hij de hennepkwekerij notabene zelf heeft opgericht en bovendien illegaal stroom heeft afgetapt. De rechter wijst vervolgens de vordering van de eisers af wegens schending van de waarheidsplicht. Het Hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en ook de Hoge Raad verwerpt het beroep van de eisers.

Conclusie

Liegen of het bewust achterhouden van essentiële informatie kan in een civiele procedure grote nadelige gevolgen kan hebben.

1 C. Seinen, “De waarheidsplicht en de geraden gevolgtrekking anno 2020: een zoektocht naar proportionaliteit” TCR, nr. 2.

Onze publicaties

Lees alle artikelen

  • 25 april 2024

    Is de CSDD-Richtlijn een gevaar voor duurrelaties?

  • 21 maart 2024

    ESG-vereisten van de CSDD-Richtlijn

  • 22 februari 2024

    WAMCA in de praktijk

  • 01 december 2023

    WAMCA revolutie: van complexiteit naar duidelijkheid

Volg ons op LinkedIn: Poelman c.s. op LinkedIn