Geschreven door Juliette Poelman
Geschreven op 18 september 2026
Introductie
[1] Een ander voorbeeld is de moord op de Colombiaanse verdediger Andrés Escobar. Dit gebeurde vlak nadat hij een eigen goal had gemaakt tijdens het groepsduel tussen de Verenigde Staten en Colombia tijdens het WK in 1994.[2]
Voetbal wordt wereldwijd gevolgd en uitvoerig besproken in talkshows, sportprogramma’s en op sociale media. Daarbij ligt één persoon steevast onder een vergrootglas: de scheidsrechter. Zijn[3] beslissingen bepalen niet zelden de uitkomst van een wedstrijd en daarmee is ook de kritiek op die beslissingen soms meedogenloos. Op het veld kent die kritiek duidelijke grenzen: een scheldwoord kan al snel een gele of rode kaart opleveren. Maar ook buiten het stadion is niet iedere uitlating over een scheidsrechter zonder meer geoorloofd.
Scheidsrechters op topniveau moeten een zekere mate van publieke kritiek dulden. Voor hen gelden daarom ruimere grenzen van aanvaardbare kritiek dan voor gewone burgers.[4] Die grenzen zijn echter niet onbeperkt. Wanneer gaat kritiek op een scheidsrechter te ver? In andere woorden: waar eindigt de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van meningsuiting en waar begint het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van privéleven van de scheidsrechter?
Deze vraag stond centraal in de zaak De Carvalho Marques and Others v. Portugal,[5] waarin het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (‘EHRM’) zich moest buigen over de toelaatbaarheid van scherpe publieke uitlatingen over voetbalscheidsrechters. In deze publicatie bespreek ik deze zaak en ga ik in op de vraag wanneer scherpe kritiek op een scheidsrechter wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting en wanneer deze overgaat in ontoelaatbare beschuldigingen die zijn eer en reputatie aantasten.
Een rode kaart voor F.C. Porto
In de zaak De Carvalho Marques and Others v. Portugal[6] beoordeelde het EHRM disciplinaire sancties die de Portugese voetbalbond had opgelegd aan voetbalclub F.C. Porto, haar voorzitter en communicatiedirecteur. De aanleiding was een reeks publieke uitlatingen waarin niet alleen individuele scheidsrechters, maar ook het Portugese arbitragesysteem stevig onder vuur werd genomen. Zo vertelde de communicatiedirecteur tijdens een televisie-uitzending dat een ‘monster’ was gecreëerd om scheidsrechters te beïnvloeden en zo de uitkomst van de wedstrijden te bepalen.[7] Volgens hem was Benfica, de grote rivaal van F.C. Porto, de ‘puppet master’ die het monster had gecreëerd.[8] Ook in F.C. Porto’s clubnieuwsbrief Dragões Diário werd de arbitrage fel bekritiseerd. Daarin werd gesproken van een ‘octopus’ die met zijn ‘tentakels’ controle zou uitoefenen op het Portugese voetbal. Volgens F.C. Porto zorgde dit vermeende systeem ervoor dat onervaren scheidsrechters werden bevoordeeld en de belangen van de club werden geschaad.[9]
Daarnaast uitte F.C. Porto kritiek op de video-assistent-scheidsrechter (‘VAR’) in hun clubnieuwsbrief. Volgens de club had hij een ‘probleem met onpartijdigheid’ en zou hij daarom geen wedstrijden meer moeten leiden die bepalend konden zijn voor het kampioenschap.[10]
“B.P. had een carrière als scheidsrechter [die] bol stond van onhoudbare beslissingen, en nu, als [Video Assistant Referee – VAR], volgt hij hetzelfde beschamende pad. Gisteren, in [Santa Maria da Feira], kende hij een strafschop toe aan Benfica na een duw die zo licht was dat Pizzi er in slow motion door ten val kwam. Hij keek echter de andere kant op bij twee overtredingen in het strafschopgebied van Benfica, waarvan er één een duidelijke trap met de voet was. Vorig jaar, eveneens in [Santa Maria da Feira], zag dezelfde VAR een zeer duidelijke [overtreding] tegen Marcano over het hoofd [die aanleiding zou hebben gegeven tot een strafschop]. Het lijdt geen twijfel dat B.P. een probleem lijkt te hebben met onpartijdigheid, en dit kan en moet leiden tot zijn terugtrekking uit de wedstrijden die bepalend zijn voor het kampioenschap.” [11]
De Portugese voetbalbond liet de uitlatingen niet onbestraft. Aan F.C. Porto en haar vertegenwoordigers werden boetes opgelegd variërend van €459 tot €15.300. Daarnaast werden de voorzitter en de communicatiedirecteur tijdelijk geschorst.[12]
F.C. Porto gaat in beroep
F.C. Porto en haar vertegenwoordigers gingen niet akkoord met deze sancties en hebben, na alle nationale rechtsmiddelen te hebben uitgeput, hun zaak voorgelegd aan het EHRM. Zij stelden dat de disciplinaire sancties hun recht op vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 EVRM schonden. Volgens hen betroffen de uitlatingen een kwestie van algemeen belang, waarbij scheidsrechters en de Portugese voetbalbond als publieke figuren een ruimere mate van kritiek moesten dulden. Bovendien zouden de sancties een afschrikwekkend effect hebben op het publieke debat over voetbal. Daarom waren de sancties volgens hen niet noodzakelijk in een democratische samenleving.[13]
De Portugese regering betoogde daarentegen dat de uitlatingen de grenzen van toelaatbare kritiek overschreden. Volgens haar bevatten de uitspraken ongefundeerde beschuldigen van partijdigheid en wedstrijdmanipulatie die de eer en reputatie van de betrokken scheidsrechters ernstig aantastten. Ook stelde de regering dat clubbestuurders vanwege hun invloed een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om spanningen binnen het voetbal niet verder aan te wakkeren. De opgelegde sancties waren volgens haar proportioneel.[14]
Belangenafweging
De zaak draaide in essentie om de botsing van twee fundamentele rechten: het recht op vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 EVRM en het recht op eerbiediging van privéleven ex artikel 8 EVRM. Onder dit laatste recht valt ook het recht op bescherming van reputatie.[15] Omdat geen van beide rechten absoluut is, moest het EHRM beoordelen of de nationale autoriteiten een redelijk evenwicht tussen beide rechten hadden gevonden.[16]
Voordat artikel 8 EVRM van toepassing is, moet een aantasting van iemands reputatie een zekere ernst bereiken en op een wijze plaatsvinden die afbreuk doet aan het persoonlijke genot van het recht op eerbiediging van privéleven.[17]
Het Hof erkende dat de uitlatingen betrekking hadden op een onderwerp van algemeen belang, namelijk de integriteit van het voetbal,[18] en dat scheidsrechters op het hoogste niveau publieke figuren zijn die meer kritiek moeten dulden dan gewone burgers. Kritiek op arbitrale beslissingen is daarom in beginsel toegestaan.[19]
Grenzen aan de vrijheid van meningsuiting
Volgens het Hof gingen de meeste uitlatingen van F.C. Porto echter verder dan stevige kritiek. De beschuldigingen van corruptie en wedstrijdmanipulatie waren bijzonder ernstig, omdat zij suggereerden dat strafbare feiten waren gepleegd. Daarbij woog mee dat de beschuldigingen herhaaldelijk werden geuit en waren gericht op specifieke personen. Bovendien raakten de uitlatingen aan de ethische kernbeginselen van sport. Omdat dergelijke beschuldigingen de professionele en persoonlijke reputatie van scheidsrechters ernstig kunnen schaden, moesten zij volgens het Hof berusten op een voldoende feitelijke grondslag.[20] Nu deze ontbrak, vond het Hof dat geen sprake was van een schending van het recht op vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 EVRM en oordeelde het dat de nationale autoriteiten de uitlatingen mochten bestraffen.[21]
Waardeoordeel over optreden scheidsrechter
Anders oordeelde het Hof over de uitlating dat een VAR ‘een probleem met onpartijdigheid’ leek te hebben. Er werd alleen gewezen op het gebrek aan onpartijdigheid van de VAR. Er werd niet gesuggereerd dat de scheidsrechter was omgekocht om de uitslag van de wedstrijd te manipuleren, maar alleen dat hij een probleem leek te hebben met onpartijdigheid en dit ertoe zou moeten leiden dat hij zich uit de wedstrijden zou terugtrekken. Dat kwalificeerde het Hof als een waardeoordeel over diens optreden, dat binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting viel.[22] Het Hof vond daarom wel dat in deze kwestie sprake was van een schending van artikel 10 EVRM.[23]
Tot slot achtte het Hof de opgelegde boetes en tijdelijke schorsingen, voor zover zij betrekking hadden op de ongefundeerde beschuldigingen van corruptie en wedstrijdmanipulatie, niet onevenredig. De boete die voor de betreffende uitlating ten onrechte was opgelegd, diende aan F.C. Porto te worden terugbetaald.[24]
Conclusie: scherpe kritiek mag, ongefundeerde beschuldigingen niet
De zaak De Carvalho Marques and Others v. Portugal laat zien dat de vrijheid van meningsuiting ook in de voetbalwereld niet onbeperkt is. Scheidsrechters op topniveau zijn publieke figuren en moeten daarom een ruime mate van kritiek op hun functioneren dulden. Kritiek op een beslissing of een oordeel over de onpartijdigheid van een scheidsrechter valt in beginsel binnen de bescherming van artikel 10 EVRM.
De grens wordt bereikt wanneer kritiek overgaat in ernstige feitelijke beschuldigingen, zoals corruptie of wedstrijdmanipulatie. Dergelijke beschuldigingen kunnen de reputatie van een scheidsrechter ernstig aantasten en vereisen daarom een voldoende feitelijke basis. De uitspraak maakt daarmee duidelijk dat scherpe kritiek op een scheidsrechter mag, maar dat vrijheid van meningsuiting geen vrijbrief is voor ongefundeerde beschuldigingen
[1] https://geschiedenismagazine.nl/de-100-urige-voetbaloorlog-van-69
[2] https://nos.nl/artikel/665767-plaatje-1990-andres-escobar
[3] Voor de leesbaarheid wordt in dit artikel de scheidsrechter in mannelijke vorm gehanteerd. Uiteraard kan de scheidsrechter ook een vrouw zijn.
[4] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 118 & EHRM 21 januari 1999, Janowski v. Poland, no. 25716/94, par. 33.
[5] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319.
[6] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319.
[7] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 14.
[8] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 16.
[9] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 18-19.
[10] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 60.
[11] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 60 (vertaald vanuit het Engels).
[12] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 2.
[13] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 95-97.
[14] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 98-101.
[15] EHRM 7 februari 2012, Axel Springer AG v. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD003995408, par. 83.
[16] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 115.
[17] EHRM 7 februari 2012, Axel Springer AG v. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD003995408, par. 83.
[18] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 116.
[19] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 118-119.
[20] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 126.
[21] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 133-134.
[22] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 128.
[23] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 135.
[24] EHRM 7 juli 2026, De Carvalho Marques and Others v. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0707JUD002970319, par. 137- 140.


