Geschreven door Krijn Lammers
Geschreven op 29 oktober 2026
Voor een verdere uiteenzetting over het pluraliteitsbeginsel verwijs ik graag naar de publicatie van mijn collega Juliette.[1] Kort gezegd komt het erop neer dat meer dan één schuldeiser nodig is voor een faillietverklaring.
Een inconsistente lijn over de invulling van de steunvordering om aan het pluraliteitsbeginsel te voldoen heeft voor enkele vragen gezorgd. De aanleiding is het TWI/HTC arrest waarin werd geoordeeld dat een verbeurde dwangsom, wat een niet verifieerbare vordering is ex. artikel 611e Rv, als steunvordering mag dienen.[2] Daarentegen werd eerder in ABN AMRO/Berzona geoordeeld dat niet-verifieerbare vorderingen niet als steunvorderingen mogen dienen.[3]
De vraag die in dit artikel centraal staat: Is het juridisch verdedigbaar en normatief wenselijk dat een vóór faillissement verbeurde dwangsom als steunvordering kan dienen ondanks de uitsluiting van verificatie in artikel 611e Rv?
Het pluraliteitsvereiste is niet expliciet in de Faillissementswet opgenomen, maar is door de rechtspraak uitgegroeid tot een vaste voorwaarde voor faillietverklaring. De klassieke rechtvaardiging ervan is begrijpelijk. Het faillissement heeft ten doel het vermogen van de schuldenaar te verdelen over de gezamenlijke schuldeisers.[4] Een faillietverklaring van een schuldenaar met slechts één schuldeisers is dan moeilijk te verklaren omdat het vermogen dan niet verdeeld kan worden. Een steunvordering is dus vereist om aan het pluraliteitsvereiste te voldoen. Tegelijk heeft juist deze drempel een zwakke plek. Een schuldenaar kan kleine schuldeisers betalen en één grote schuldeiser laten zitten, enkel om een faillissementsaanvraag te blokkeren. Wat bedoeld is als bescherming, kan zo uitgroeien tot een uitnodiging tot misbruik.
Tegen deze achtergrond krijgt de civielrechtelijke dwangsom als steunvordering een bijzondere lading. Een dwangsom is een door de rechter opgelegde financiële prikkel om naleving van de hoofdvordering af te dwingen.[5] Wordt geen gehoor gegeven aan de veroordeling en blijft de hoofdvordering onvoldaan, dan verbeurt de dwangsom. Dit betekent dat de dwangsom daadwerkelijk opeisbaar wordt.
Zodra de veroordeelde partij niet voldoet aan de hoofdvordering, ontstaat dus een vordering tot betaling van de dwangsom. Toch plaatst artikel 611e Rv hier een belangrijk voorbehoud: vóór faillissement verbeurde dwangsommen komen in faillissement niet voor verificatie in aanmerking. Die regel wil voorkomen dat andere schuldeisers worden benadeeld door een sanctie die haar prikkelende werking in faillissement grotendeels verliest.[6] De dwangsom zou dan ten laste van de boedel komen. Hetgeen leidt tot een vermindering van de boedel en daarmee tot een lagere uitkering aan de gezamenlijke schuldeisers.
Precies op dit punt is in de rechtspraak de al eerdergenoemde inconsistente lijn ontstaan. In het arrest Verhees/Octrooibureau Zuid aanvaardde de Hoge Raad dat verbeurde dwangsommen als steunvordering kunnen fungeren, zolang de faillissementsaanvraag niet enkel op dit soort vorderingen wordt gebaseerd.[7] In ABN AMRO/Berzona leek vervolgens een beperktere lijn zichtbaar te worden, omdat niet-verifieerbare vorderingen niet als steunvordering zouden kunnen dienen. Een niet-verifieerbare vordering kan niet worden ingediend als vordering in faillissement en geeft daarmee geen aanspraak op deelname in de verdeling van de boedel. De Hoge Raad zei over de niet-verifieerbare vordering als steunvordering het volgende:
“[…] maar dat voldoende is dat het gaat om een vordering die ter verificatie in het faillissement kan worden ingediend opdat de schuldeiser kan meedelen in de opbrengst van de vereffening die in dat kader plaatsvindt […]”.[8]
Daardoor ontstond het beeld dat verbeurde dwangsommen, juist vanwege artikel 611e Rv, buiten spel stonden. Met TWI/HTC heeft de Hoge Raad echter opnieuw bevestigd dat verbeurde dwangsommen wel degelijk als steunvordering kunnen meetellen.
Die spanning verdwijnt wanneer scherp onderscheid wordt gemaakt tussen de functie van een steunvordering en die van een verifieerbare faillissementsvordering. Een steunvordering heeft in tegenstelling tot een verifieerbare vordering een ander doel. Zij laat zien dat de schuldenaar tegenover meerdere schuldeisers tekortschiet en dus verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Vanuit dat perspectief is het goed verdedigbaar dat een verbeurde dwangsom wel mag dienen als steunvordering om te voldoen aan het pluraliteitsvereiste, ook al deelt zij niet mee in het passief.
Juist daarom is toelating van verbeurde dwangsommen als steunvordering wenselijk. Zolang de Hoge Raad vasthoudt aan het pluraliteitsvereiste, moet worden voorkomen dat dit vereiste verhardt tot een formele blokkade waarachter schuldenaren zich strategisch kunnen verschuilen. Het toelaten van verbeurde dwangsommen versterkt de positie van schuldeisers. Daarnaast doet het recht aan het gezag van rechterlijke uitspraken omdat dan een consistente lijn wordt gekozen. Tot slot vergroot het de rechtszekerheid omdat op deze manier de schuldenaar niet bewust de betaling van de dwangsom kan frustreren zonder enige consequenties. Tegelijk hoeft dat niet ten koste te gaan van andere schuldeisers, zolang duidelijk blijft dat de dwangsom niet zonder meer een gewone verificatievordering is. Zo wordt het onderscheid tussen boedelverdeling en faillietverklaring niet uitgewist, maar juist zuiverder gemaakt.
De meest overtuigende conclusie is dan ook dat de verbeurde dwangsom, naast een reguliere hoofdvordering, als steunvordering moet kunnen meetellen bij het pluraliteitsvereiste. Dat is niet alleen juridisch verdedigbaar, maar ook normatief wenselijk. Het brengt samenhang in een rechtspraak die te lang tegenstrijdige signalen heeft afgegeven en voorkomt dat het faillissementsrecht zijn eigen doel ondermijnt. Een faillissement blijft daarmee een collectief instrument, maar wel een instrument dat bestand is tegen formeel opportunisme en beter aansluit bij de werkelijkheid van de insolventiepraktijk.
[1] J. Poelman, ‘Faillietverklaring en het pluraliteitsbeginsel‘, 16 oktober 2025. [2] HR 17 november 2013, ECLI:NL:HR:2023:1569, r.o. 3.1, TvI 2024/18, (TW/HTC). [3] HR 11 juli 2024, ECLI:NL:HR:2014:1681, r.o. 3.4.2., NJ 2014/407, (ABN AMRO/Berzona). [4] HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681 r.o. 3.4.1, NJ 2014/407, (ABN AMRO/Berzona). [5] Art. 611a Rv. [6] Kamerstukken II 1975/176, 13788, nr. 4, p. 20. [7] HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2146, r.o. 3.1, NJ 1997/640, (Verhees/Octrooibureau Zuid) [8] HR 11 juli 2024, ECLI:NL:HR:2014:1681, r.o. 3.4.2., NJ 2014/407, (ABN AMRO/Berzona).
